Duitse rechter zet streep door gratis gebruik van muziek voor AI: wat betekent de GEMA-uitspraak voor makers?
Zes composities uit het GEMA-repertoire kwamen terug in muziek die Suno genereerde, terwijl de prompts daar niet om vroegen. Voor de rechter was dat een aanwijzing dat het model delen van die werken had onthouden. Wanneer wordt trainen dan auteursrechtelijk reproduceren, en wat betekent dat voor makers die hun werk in datasets zien verdwijnen?
Mag een AI-bedrijf bestaande muziek gebruiken om een model te trainen, zonder daarvoor toestemming te vragen of de makers te betalen? Die vraag staat al enige tijd centraal in de discussie over generatieve AI en auteursrecht. Een recente uitspraak van het Landgericht München I in de zaak tussen de Duitse auteursrechtenorganisatie GEMA en AI-muziekdienst Suno geeft daarop een belangrijk antwoord.
De rechtbank oordeelde op 31 juli 2026 grotendeels in het voordeel van GEMA. Suno maakte volgens de rechtbank inbreuk op de auteursrechten op zes bekende composities uit het GEMA-repertoire. Het gaat onder meer om Forever Young van Alphaville, Mambo No. 5 van Lou Bega en Daddy Cool van Boney M.
Voor makers en andere rechthebbenden is vooral van belang wat achter dat oordeel schuilgaat. De uitspraak gaat namelijk niet alleen over zes liedjes die toevallig te veel op AI-uitvoer leken. De rechtbank buigt zich over een fundamentelere vraag: wat gebeurt er auteursrechtelijk wanneer beschermd werk wordt gebruikt om een generatief AI-model te bouwen?
Van trainingsdata naar nieuwe muziek
Suno is een generatieve AI-dienst waarmee gebruikers op basis van tekstuele instructies muziek kunnen laten maken. Achter die relatief eenvoudige gebruikerservaring zit een model dat is getraind met grote hoeveelheden bestaande muziek.
In de procedure stond vast dat Suno zijn modellen in de Verenigde Staten had getraind op miljoenen volledige muziekopnamen en dat daar ook de zes composities uit het GEMA-repertoire tussen zaten. Volgens GEMA waren daarvoor geen licenties verkregen.
Maar alleen de aanwezigheid van auteursrechtelijk beschermd materiaal in trainingsdata was niet het enige relevante punt.
GEMA liet de rechtbank verschillende door Suno gegenereerde nummers horen. Daarin kwamen melodieën, harmonieën en ritmes terug die volgens GEMA sterk overeenkwamen met de oorspronkelijke composities. Opvallend was dat voor het genereren daarvan geen uitgebreide muzikale instructies nodig waren. De prompts bevatten onder meer tekst, een stijlaanduiding en een titel, maar schreven de melodie, harmonie en het ritme niet voor.
Dat was voor de rechtbank belangrijk. Als dergelijke muzikale elementen vervolgens toch in de gegenereerde muziek terugkomen, kan dat erop wijzen dat het model niet alleen algemene patronen uit de trainingsdata heeft geleerd, maar delen van concrete werken heeft onthouden.
Wanneer ’leren’ auteursrechtelijk reproduceren wordt
Daarmee komt de uitspraak bij een interessante vraag die veel breder speelt dan alleen in de muziekindustrie.
AI-aanbieders benadrukken vaak dat een model de trainingsdata niet simpelweg als een verzameling bestanden bewaart. Tijdens het trainen worden gegevens verwerkt tot modelparameters: numerieke waarden waarmee het systeem vervolgens nieuwe uitvoer kan genereren.
De rechtbank accepteert dat technische onderscheid, maar verbindt daaraan niet de conclusie dat het auteursrecht dus buiten beeld blijft.
Volgens de rechtbank kan ook sprake zijn van een auteursrechtelijke reproductie wanneer een beschermd werk in de parameters van een model is ‘gememoriseerd’. Daarvoor hoeft niet noodzakelijk een klassieke kopie van het muziekbestand in het model aanwezig te zijn. Doorslaggevend is volgens de rechtbank welke beschermde elementen van een werk in het model zijn overgenomen.
Dat is voor rechthebbenden een wezenlijk punt. Het betekent dat de juridische beoordeling niet ophoudt bij de technische constatering dat een AI-model geen map bevat met daarin alle bestanden waarmee het ooit is getraind.
De vraag wordt eerder: wat heeft het model daadwerkelijk uit die werken overgenomen?
De uitzondering voor tekst- en datamining is geen vrijbrief
Ook de Europese uitzondering voor tekst- en datamining kwam aan de orde.
Die uitzondering maakt het onder bepaalde omstandigheden mogelijk om auteursrechtelijk beschermde werken geautomatiseerd te analyseren. Juist bij AI-training wordt daarom veel gediscussieerd over de vraag hoever deze uitzondering reikt.
De rechtbank erkent dat tekst- en datamining in beginsel relevant kan zijn voor AI-training. Maar zij trekt een grens wanneer het systeem verder gaat dan het analyseren van informatie en beschermde onderdelen van werken daadwerkelijk in het model worden overgenomen.
Volgens de rechtbank valt dergelijke memorisatie niet onder de uitzondering.
Dat onderscheid is belangrijk. Het betekent niet dat iedere vorm van AI-training met auteursrechtelijk beschermd materiaal door deze uitspraak automatisch onrechtmatig is. Wel maakt de rechtbank duidelijk dat een beroep op tekst- en datamining niet zonder meer voldoende is zodra een model concrete beschermde elementen van werken blijkt te kunnen reproduceren.
Daar kwam in deze zaak nog iets bij. Volgens de rechtbank had Suno de betreffende muziek van YouTube verkregen door een technische downloadbeveiliging te omzeilen. Ook daardoor kon Suno zich volgens de rechtbank niet met succes op de uitzondering beroepen.
Toestemming blijft het uitgangspunt
Voor makers ligt de betekenis van de uitspraak vooral hier.
Generatieve AI verandert de techniek waarmee creatieve werken worden gebruikt, maar daarmee verdwijnen de exclusieve rechten van makers niet automatisch. Een werk kan digitaal worden geanalyseerd, worden omgezet in tokens en uiteindelijk terechtkomen in miljarden modelparameters. Dat maakt de auteursrechtelijke vraag ingewikkelder, maar niet noodzakelijk minder relevant.
Dat sluit aan bij de reactie van BumaStemra op de uitspraak. De Nederlandse auteursrechtenorganisatie ziet in het vonnis een bevestiging van het uitgangspunt dat makers zeggenschap moeten houden over het gebruik van hun werk voor generatieve AI.
Die zeggenschap heeft ook een economische dimensie.
AI-modellen zoals Suno kunnen alleen functioneren doordat zij leren van grote hoeveelheden bestaand materiaal. Wanneer beschermde creatieve werken daarvoor een relevante grondstof vormen, rijst vanzelf de vraag wie profiteert van de economische waarde die daarmee wordt gecreëerd.
GEMA had Suno vooraf om een licentie gevraagd. Suno ging daar niet op in. Tegelijkertijd exploiteert het bedrijf zijn AI-model commercieel, onder meer via betaalde abonnementen. De rechtbank heeft Suno nu onder meer verplicht informatie te verstrekken over de omvang van het gebruik en geoordeeld dat het bedrijf aansprakelijk is voor schade.
Daarmee verschuift de discussie van een principiële vraag – mág auteursrechtelijk beschermd materiaal voor AI worden gebruikt? – steeds meer naar een praktische vervolgvraag: onder welke voorwaarden en tegen welke vergoeding?
Niet iedere AI-uitvoer is daarmee een inbreuk
Tegelijkertijd moet de reikwijdte van het vonnis niet worden overschat.
De rechtbank heeft niet geoordeeld dat alle met Suno gemaakte muziek auteursrechtinbreuk oplevert. Evenmin volgt uit de uitspraak dat iedere AI-aanbieder voor iedere vorm van training automatisch toestemming van iedere individuele maker nodig heeft.
De zaak draaide om zes concrete composities en om specifieke technische en feitelijke omstandigheden. De rechtbank stelde onder meer vast dat deze werken in het model waren gememoriseerd en dat uit de gegenereerde muziek beschermde elementen van die werken konden worden afgeleid.
Bovendien is de uitspraak nog niet definitief. Suno kan tegen het vonnis in hoger beroep gaan en heeft al laten weten het niet met de beslissing eens te zijn.
Het is daarom te vroeg om te spreken van een definitief Europees antwoord op de auteursrechtelijke status van AI-training.
Van opt-out naar onderhandeling
Toch is de uitspraak voor makers en rechthebbenden relevant.
Een belangrijk deel van het debat over generatieve AI draaide de afgelopen jaren om de vraag hoe makers konden voorkomen dat hun werk voor training werd gebruikt. Daarbij lag veel nadruk op technische opt-outs, transparantie over trainingsdata en de mogelijkheden om rechten voor te behouden.
De GEMA-uitspraak laat een andere kant van die discussie zien.
Als het gebruik van beschermd materiaal daadwerkelijk onder het exclusieve recht van de maker valt, is de vraag niet alleen hoe een maker bezwaar kan maken. Dan ontstaat ook ruimte voor licenties, collectieve onderhandelingen en vergoedingsmodellen.
Dat is een wezenlijk verschil.
Voor individuele makers is het praktisch vrijwel onmogelijk om te controleren of hun muziek onderdeel is geweest van datasets met miljoenen bestanden. Collectieve beheersorganisaties zoals GEMA en BumaStemra kunnen daarin een belangrijke rol spelen. Zij kunnen rechten bundelen, licenties aanbieden en – zoals deze procedure laat zien – namens grote groepen makers optreden wanneer partijen er onderling niet uitkomen.
De ontwikkeling van generatieve AI hoeft daarmee niet tegenover de belangen van makers te staan. Er kan ook een markt ontstaan waarin technologiebedrijven toegang krijgen tot kwalitatief creatief materiaal en makers daarvoor worden gecompenseerd.
Maar daarvoor moet wel eerst duidelijk zijn dat creatieve werken niet simpelweg gratis grondstof zijn.
Een belangrijke stap, maar nog geen eindpunt
De uitspraak uit München lost het bredere conflict tussen generatieve AI en auteursrecht niet op. Daarvoor zijn de technologie, de verschillende trainingsmethoden en de juridische procedures die momenteel in verschillende landen lopen te uiteenlopend.
Wel maakt het vonnis één ding duidelijker.
Dat een auteursrechtelijk beschermd werk wordt verwerkt door een complex AI-model betekent niet dat de positie van de maker aan de ingang van dat model verdwijnt. Als een model beschermde elementen van een werk overneemt en die vervolgens weer kan reproduceren, kan het auteursrecht ook binnen die technische keten een rol blijven spelen.
Voor makers is dat misschien wel de belangrijkste betekenis van deze zaak.
De discussie verschuift langzaam van de vraag óf hun rechten nog relevant zijn in het tijdperk van generatieve AI, naar de vraag hoe die rechten in de praktijk moeten worden gerespecteerd en vergoed.
En juist die tweede vraag zou uiteindelijk belangrijker kunnen blijken dan het antwoord in deze ene procedure.