Billijke vergoeding en credit bij film: zaken waar zelden over wordt geprocedeerd
Je werkte mee aan een film die goed liep, maar je kreeg een vaste vergoeding afgesproken vóór iemand wist hoe succesvol de film zou worden. Kun je dan alsnog aanspraak maken op meer? En wat als de credit die je kreeg niet klopt met het werk dat je hebt gedaan? Over die twee vragen wordt zelden geprocedeerd, maar de rechtbank Amsterdam boog zich er nu wel over.
Over filmrecht wordt zelden geprocedeerd. Juist daarom leek me een recent tussenvonnis van de Rechtbank Amsterdam de moeite waard om even bij stil te staan.
Zie: rechtbank Amsterdam 20 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5771.
Wat de filmmaker vordert
De kern: een filmmaker werkte mee aan een film en vindt achteraf dat hij te weinig heeft ontvangen (vanwege de hoge opbrengsten) en dat hij meer dan wel ander werk heeft verricht dan waarvoor hij een credit heeft ontvangen. Hij vordert daarom een aanvullende vergoeding en wil bovendien als coregisseur worden vermeld, onder meer in de aftiteling en op IMDb. Die laatste vermelding is geen bijzaak. IMDb geldt in de internationale filmindustrie als de plek waar iemands staat van dienst wordt afgelezen en een credit daar werkt door in wat je bij een volgende productie kunt vragen.
De andere partij stelt dat er een vaste vergoeding ineens (lumpsum) was afgesproken en betwist dat hij als coregisseur heeft gefungeerd. Dat hij maker is in de zin van de Auteurswet staat tussen partijen niet ter discussie; het gaat om de hoogte van de vergoeding en om de vraag welke functie hij vervulde (de credit).
Waar het juridisch om draait, zijn twee dingen die in de filmpraktijk weerbarstig zijn.
Wat als de film meer opbrengt dan verwacht?
Ten eerste de vergoeding. De wet kent voor makers een recht op een billijke vergoeding indien zij exploitatierechten verlenen (artikel 25c Aw) en als er een grote onevenredigheid bestaat tussen de afgesproken vergoeding en wat de exploitatie opbrengt, een aanvullende billijke vergoeding (artikel 25d Aw, de zogenoemde bestsellerbepaling). Voor filmmakers werken die regels door via artikel 45d Aw. De vraag wat in dit geval een billijke vergoeding is en of de afgesproken lumpsum daaraan voldoet, laat zich niet zomaar uit de wet aflezen. De zogenoemde bestsellerbepaling is in de filmwereld nog lastiger omdat de opbrengsten aan diverse partijen toekomen, zoals de bioscoop, de distributeur en dan pas de producent. Bovendien geldt - voor al die partijen - dat tegenover een kaskraker vaak een aantal minder grote successen en hier en daar zelfs een flop staan (die geld kosten in plaats van opbrengen).
Artikel 25c Aw kijkt naar het moment van contracteren: staat de vergoeding in verhouding tot wat je levert? Artikel 25d Aw kijkt achteraf naar de opbrengsten. Voor filmmakers lopen beide via artikel 45d Aw.
Regieassistent of coregisseur?
Ten tweede de kwalificatie. Wat is precies het verschil tussen een regieassistent en een coregisseur en wanneer geeft dat recht op naamsvermelding (artikel 45e Aw)? Ook daarvoor bieden wet en literatuur weinig houvast.
De rechtbank gaat over deze toch wat subjectievere juridische vragen niet zelf oordelen. Zij beveelt een onderzoek door drie deskundigen. Een jurist als voorzitter, aangevuld met een deskundige met productie-ervaring en een deskundige met regie-ervaring uit de filmindustrie. Aan de deskundigen nu de schone taak zich te buigen over de vraag hoe je zo’n billijke en aanvullende vergoeding in dit geval berekent en welke facturen daar wel of juist niet een rol in moeten spelen.
Dit is een tussenvonnis. Het eindvonnis, met het uiteindelijke oordeel, volgt later. Ik ben erg benieuwd hoe de billijke vergoeding berekend zal moeten worden en wat de praktijk hiervan kan leren.
Stand van zaken: 24 juli 2026. Het eindvonnis is nog niet gewezen.